Toelichting op het muziekstuk

Het is 1791. Franz Joseph Haydn is naar Londen afgereisd, waar hij een opera, zes symfonieën en twintig andere stukken zal componeren. Onder zijn leiding worden ze met groot succes uitgevoerd. Haydn is beroemd. Mozart is net overleden en Beethoven nog niet volgroeid. Haydn staat even eenzaam aan de top. Europa ligt aan zijn voeten.

Maar hij maakt niet alleen muziek, hij luistert er ook naar. Zo raakt hij diep onder de indruk van Handel’s oratoria Messiah en Israel in Egypt. Die ervaring zal van invloed blijken op de koormuziek die hij enkele jaren later, terug in Wenen, schrijft.
Hij spreekt de wens uit “een werk te schrijven dat mijn naam blijvende roem zal schenken in de wereld”. Iets met eeuwigheidswaarde.

Iemand geeft hem een bijbel en zegt: “Begin maar bij het begin.“ Het moge bekend zijn, daar vinden we het scheppingsverhaal uit Genesis. Tevens neemt hij een tekst mee naar Wenen, het Bijbels epos Paradise Lost (van John Milton), maar hij voelt zich te weinig thuis in het Engels om daar muziek op te schrijven. Gelukkig krijgt Haydn hulp. Er wordt een Duitse versie geconstrueerd. Haydn raakt er zelf door geroerd: “Elke dag knielde ik neer en bad God mij de kracht te geven dit werk te voltooien”.

In het jaar 1798 is het zover: Die Schöpfung is klaar. Zijn eigen ‘scheppingsdrang’ heeft iets geweldigs voortgebracht..! Wenen wacht met ingehouden adem op de première. De eerste uitvoering vindt in kleine kring plaats en wordt door Haydn zelf gedirigeerd. Later schrijft de componist over deze gebeurtenis: “Ik was zo koud als ijs, op het volgende ogenblik leek het alsof ik in brand stond; een paar keer dacht ik dat ik een hartaanval zou krijgen.”
Maar het is Haydn gelukt om een tijdloos, onsterfelijk oratorium te componeren. Al gauw begint een zegetocht door Europa.

Officieel bestaat Die Schöpfung uit drie delen: deel I over de elementen, deel II over de dieren en de mens, en tot slot verklankt deel III de rustdag in het aardse paradijs. Daarbinnen, gezien vanuit het boek Genesis, onderscheiden zich natuurlijk zeven delen: de 7 scheppingsdagen. Elke dag wordt ingeleid met een vertellend recitatief (Genesis), gevolgd door aria’s die het zojuist geschapene illustreren en wordt afgesloten met een jubelkoor, waarin God wordt gedankt voor Zijn geslaagde werk. Het totaal leidt naar een climax: elke volgende dag duurt muzikaal langer en de koorpassages worden steeds uitgebreider.

Het libretto maakt gebruik van drie vertellers. Het zijn de aartsengelen Gabriël (sopraan), Rafaël (bas) en Uriël (tenor). Haydn buit de verschillende stemkleuren van deze drie optimaal uit. Het frisse, jonggroene geluid van de sopraan zingt over de bloemen, de kruiden, het bos en de vogels. De diepblauwe klank van de bas klinkt bij de bliksem, de donder, de storm, de bergen, de zeeën, rivieren en de wilde dieren. De warme, gouden gloed van de tenor is hoorbaar bij de zon, de maan, de sterren én…de mens.

Op allerlei momenten kunt u, als u goed luistert naar het orkest, knappe natuur- en karakterschilderingen horen. Let wel op: als de zanger erover zingt heeft het vaak al geklonken, want meestal gaat het aan de vertelling vooraf! Zo komen we o.a. tegen: bliksemschichten (kort en fel door het zilver van de fluit), donderslagen (paukenroffels), verkwikkende regen (dalende, druppelende viooltoonladders), verwoestende hagel (idem, maar heftiger), zachte sneeuw (idem, maar milder), schuimende golven (strijkers in deinende gang), stille beekjes (kabbelende strijkers), de opgaande zon (stijgende figuren met crescendo in vol orkest), de imposante bergen en velden (met mild-warm hoorngeschal), Gods goedheid (bezongen door de hobo) en de rijkdom van de gehele schepping (de feestelijke loftrompet).

Maar ook vele dieren komen langs: de omhooggaande vlucht van de adelaar (trotse violen), de leeuwerik (de zangerige klarinet), het gekoer van duiven (tortelende fagotten), lieflijke nachtegalen (beweeglijke fluiten), krioelende vissen (rondzwemmende strijkers), de brullende leeuw (loeiende trombones), de lenige tijger (soepele violen), het vlugge hert (gracieuze 6/8 maat) , het galopperende paard (wildere 6/8 maat), zwermen insecten (spitse viooltremolo’s), kruipende wormen (dalende cello’s en contrabassen) en alle grote, zware zoogdieren (het logge effect van de unieke contrafagot). Een greep uit de pluriformiteit van de schepping in het algemeen en Haydn’s versie in het bijzonder.

De ouverture van dit oratorium is getiteld: ‘De uitbeelding van de chaos’. Het is een langzame symfonische inleiding, kil en vormloos en met vele dissonanten. Daarna gebeurt iets bijzonders. Vanuit een ingehouden stilte wordt verteld over de duisternis die overging in iets nieuws: LICHT! Zelden klinkt dit woord indrukwekkender dan in dit muziekstuk.

In deel III maken de engelen plaats voor twee bijzondere personages: Adam en Eva. Zij loven de Schepper en daarna elkaar. Eén en al liefde en warmte. En dan sluit ook het koor zich aan: Des Herren Ruhm, er bleibt in Ewigkeit. Haydn schildert zijn opgewekte kijk op de wereld. De zondeval (de verjaging uit het paradijs) roert hij slechts zeer terzijde aan. Helemaal Haydn.

(Paul Valk)

Comments are closed.